Naar de inhoud
Terug naar de kennisbankMeten

De verplichte meetset bij een cv-keuring

Welke metingen er bij een keuring van een gasverbrandingstoestel op de bon horen, waaraan ze getoetst worden, en waarom een ontbrekende meting geen goedkeuring mag opleveren.

27 augustus 20268 min lezenMeten
Monteur legt meetwaarden vast op zijn telefoon bij een geopende cv-ketel
Monteur legt meetwaarden vast op zijn telefoon bij een geopende cv-ketel

Een keuringsbon moet over een jaar nog antwoord geven op één vraag: was dit toestel op die dag veilig, en waaruit blijkt dat? Een vinkje bij "gecontroleerd" geeft dat antwoord niet. Een reeks meetwaarden, met de belasting waarop ze gemeten zijn, wel.

Op veel bonnen staat één CO-waarde uit de rookgassen en verder niets. Dat laat zien dat je een meter bij je had; het is te weinig om op af te tekenen. Hieronder de set die op een keuringsbon thuishoort, met er meteen bij waar elke regel vandaan komt — want ze komen niet allemaal uit dezelfde bron. Eén regel vooraf: schrijft de fabrikant iets anders voor, dan wint de fabrikant. Paragraaf 5.2.9 van BRL 6000-25 zegt dat de meting van rookgassen en gas-luchtverhouding conform diens voorschriften wordt uitgevoerd en aan diens eisen moet voldoen; de tabel uit de regelgeving is de terugval voor als de fabrikant zwijgt. En op twee plekken staat dezelfde zin: de op het meetinstrument aangegeven waarde is leidend.

De set die op de bon hoort

MetingWanneer, hoe en waar het vandaan komtWat je vastlegt
CO in de opstellingsruimteBRL 5.2.6: vóór de werkzaamheden, en opnieuw voordat je in bedrijf steltppm, op ca. 1,7 m hoogte en ca. 1 m van het toestel
Rookgas op hooglastBRL 5.2.9 verwijst hiervoor naar het fabrikantvoorschrift; dat schrijft de belastingen voorCO, CO2 of O2, rookgastemperatuur
Rookgas op laaglastidem, op minimale belasting — de tweede meting volgt uit de fabrikant, niet uit de BRL zelfCO, CO2 of O2, rookgastemperatuur
CO2 in de verbrandingsluchttoevoerBRL 5.2.7: concentrisch systeem, gesloten mantelgemeten CO2 naast de buitenluchtwaarde
Gasdruk zonder gasafname (statisch)geen aparte BRL-eis; bijlage 1 vraagt wel dat je voordruk, werkdruk, sluitdruk en verbruiksdruk beoordeeltmbar
Gasvoordruk met het toestel op vollast (dynamisch)bijlage 4 noemt de gasvoordruk (dynamisch) met zoveel woordenmbar, plus het verschil met statisch
Dichtheid van de gasleidingBRL 5.2.14: op werkdruk, en alleen bij het installeren of vervangen van het toestelbegindruk, einddruk, tijd ertussen
Branderdruk / gas-luchtverhoudingBRL 5.2.5: instellen volgens fabrikantingestelde en gemeten waarde
Warmtapwatertemperatuurbijlage 4 vraagt de instelling; NEN 1006 legt de grens aan het mengtoestel of tappuntgraden Celsius
Warmtapwaterdebietbijlage 4; bij vol tappenliter per minuut
Gebruikte meetinstrumentenbijlage 4: op elke onderhoudsbonwelk instrument, met zijn kalibratiestatus

Die laatste regel is geen administratie om de administratie. Bijlage 4, de controlepuntenlijst voor fabricaatgebonden onderhoud, begint met de toestelgegevens inclusief de indeling A, B of C en met de gebruikte meetinstrumenten. Zonder toestelklasse is er geen grens om aan te toetsen; zonder instrument is er geen meting, alleen een getal.

Hooglast en laaglast, en dezelfde grens voor allebei

Een modulerende ketel is in feite twee toestellen. Op vol vermogen loopt de ventilator hard, is de luchtovermaat klein en zit de verbranding dicht op het ontwerppunt. Op minimale belasting is alles anders: minder gas, minder lucht, koudere vlam. De gas-luchtverhouding hoeft op die twee punten niet gelijk te lopen, en juist daar zit de afwijking die je met één meting mist.

Hoe hard dat is, zie je in een willekeurig fabrikantvoorschrift. Intergas schrijft voor de Kombi Kompakt HRE voor dat de meting op hoog- en laaglast plaatsvindt, en legt de laaglastgrens vast op de hooglastwaarde: op aardgas is de bovengrens voor CO2 op laaglast de CO2 die je bij hooglast mat (op propaan ligt hij 0,3 % lager). Je kúnt de laaglastmeting dus niet beoordelen zonder de hooglastmeting — het is één meting in twee stappen. Uit datzelfde voorschrift: wacht tot de uitlezing stabiel is, minimaal drie minuten, en een afwijking bij hooglast is niet met het gasblok recht te draaien; dan zoek je in de gasdichtheid, de gasdoseerring en de ventilator met venturi.

Voor CO ligt het anders dan voor de gas-luchtverhouding. Daar hangt de grens aan het toestel, niet aan de belasting:

Soort toestelMax. CO in het verbrandingsgas
Open toestel, afvoerloos (type A)50 ppm
Open toestel, afvoergebonden (type B)200 ppm
Gesloten toestel (type C)400 ppm

Let eerst op wanneer deze tabel geldt: alleen als het fabrikantvoorschrift géén maximale CO-waarde noemt. Noemt het er wel een, dan is die de grens. Verder staat er geen belasting bij, en geen gemiddelde over de metingen — het is een maximum in het verbrandingsgas van dat toestel. Meet je op twee belastingen, dan gaan ze dus allebei tegen dezelfde grens en beslist de hoogste van de twee. Welke van de twee dat is, verschilt per toestel en per storing; dat is de reden om ze allebei te meten. De richtlijn zet er nog een voorwaarde bij: dit zijn de maximale waarden ná een goed afgesteld toestel.

Gasdruk: twee metingen, geen één

De statische druk meet je zonder gasafname, de dynamische met het toestel op vol vermogen. Bijlage 4 noemt expliciet de gasvoordruk (dynamisch); het vakbekwaamheidsprofiel spreekt van het beoordelen van voordruk, werkdruk, sluitdruk en verbruiksdruk. Statisch alleen zegt weinig: een leiding die te krap of te lang is, of die dichtzit, laat zich pas kennen als er gas doorheen moet. Het verschil tussen beide waarden is de uitkomst, dus noteer ze allebei. Waaraan je die voordruk toetst, hangt af van je netbeheerder: de gegarandeerde en de nominale leverdruk verschillen per net en per gebied, en het getal staat in de aansluitvoorwaarden van je netbeheerder — het document dat je volgens bijlage 2 toch al in huis moet hebben. Neem het daaruit en niet uit je hoofd.

De drukproef op werkdruk

Voor de bestaande gasleiding is de richtlijn kort: die wordt uitsluitend op werkdruk beproefd op dichtheid volgens NPR 3378, sectie gasleidingen. Werkdruk is dus de druk die in die installatie heerst, niet een aparte beproevingsdruk. Voor een nieuwe leiding komt de sterkteproef erbij: bijlage 2 schrijft daarvoor een drukstoot van 5 bar voor, met een manometer met 0,1 bar afleesbaarheid en 5 % nauwkeurigheid, en een afpersset die tot 5 bar geschikt is.

Twee dingen gaan hier geregeld mis. Het eerste is de aanleiding: de BRL koppelt de lekdichtheidsbeproeving aan het installeren of vervangen van het toestel en merkt hem aan als boven-wettelijke eis. Bij een gewone onderhoudsbeurt volgt hij dus niet uit de richtlijn — veel bedrijven doen hem toch, prima, maar noem het dan geen verplichting. Het tweede is de grens: waaraan de uitkomst precies moet voldoen, staat in NPR 3378, sectie gasleidingen — een betaalde NEN-publicatie die wij hier niet kunnen citeren. Neem die grens dus uit de norm zelf en niet uit een forum of oud lesmateriaal, en zet op de bon wat je feitelijk waarnam: begindruk, einddruk, tijd. Dan is het achteraf tegen elke versie van de eis na te rekenen.

CO2 in de luchttoevoer, met gesloten mantel

Dit is de meting die aantoont dat de ketel zijn eigen rookgas niet terugademt. Bij een concentrisch systeem meet je op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer of daar CO2 in zit; bij een goed werkend systeem is de gemeten waarde gelijk aan de buitenluchtwaarde. De meting hoort met gesloten mantel te gebeuren, tenzij de onderhoudsvoorschriften anders vermelden. Door wind rond de uitmonding kan wat rookgas worden meegezogen; waarden tot ongeveer 1 % CO2 zijn toelaatbaar. Fors hoger wijst op interne lekkage: reden voor nader onderzoek, niet voor een aantekening.

Warm water: eerst de graden, dan de liters

De 55 graden is geen comforteis maar legionellapreventie. NEN 1006 stelt dat de temperatuur aan het mengtoestel of tappunt in een woninginstallatie zonder circulatie bij gebruik ten minste 55 graden moet zijn, en het Besluit bouwwerken leefomgeving wijst die norm aan voor een warmwatervoorziening, bij bestaande bouw en nieuwbouw. Voor voorraadtoestellen ligt de lat op 60 graden, met wekelijkse thermische desinfectie als dat niet doorlopend lukt. Een toestel dat op 45 graden staat omdat de bewoner dat prettiger vindt, is dus geen instelkwestie maar een afwijking die je opschrijft. Wel eerlijk erbij: die 55 graden komt uit NEN 1006 en het Bbl, niet uit BRL 6000-25. Bijlage 4 vraagt alleen dát je de ingestelde warmtapwatertemperatuur noteert; de grens waaraan je hem legt komt van elders.

Het debiet in liters per minuut ligt anders: daar hangt geen grenswaarde aan, en je keurt een toestel er niet op af. Toch staat het warmtapwaterdebiet gewoon in bijlage 4, in hetzelfde rijtje metingen als de branderdruk en de rookgastemperatuur. Terecht: het getal zegt op zichzelf weinig, maar naast dat van vorig jaar wel. Zakt het debiet, dan loopt er iets dicht — een filter, een inlaatcombinatie, een warmtewisselaar. Meet hem, noteer hem, en toets hem niet.

Uitgevoerd is niet hetzelfde als goedgekeurd

De richtlijn koppelt goedkeuring niet aan een handeling maar aan een oordeel. Na werkzaamheden mag het toestel pas in bedrijf worden gesteld nadat de CO-concentratie in de opstellingsruimte is gemeten en lager is dan 5 ppm, én het toestel naar het professionele oordeel van de vakbekwaam persoon veilig is en aan de eisen van de wet voldoet. Dat oordeel kun je niet geven over een meting die je niet gedaan hebt. Er is dus een derde uitkomst naast goed en afgekeurd: uitgevoerd, waarden vastgelegd, geen goedkeuring uitgesproken. Dat is de juiste stand als:

  • de toestelklasse A, B of C onbekend is, want dan is er geen grens om aan te toetsen
  • het fabrikantvoorschrift een meting op twee belastingen vraagt en alleen de hooglastmeting op de bon staat
  • er gemeten is met een instrument waarvan de kalibratie verlopen is
  • de CO in de opstellingsruimte tussen 5 en 20 ppm ligt en de oorzaak nog niet weg is

Alle meetinstrumenten die worden gebruikt voor metingen waarvan de resultaten beslissend zijn voor goedkeuring of afkeuring van uitgevoerde of uit te voeren werkzaamheden, moeten zijn gekalibreerd. — BRL 6000-25, paragraaf 6.2.1

Let op wat daar niet staat: een termijn. De richtlijn noemt geen jaar en geen twee jaar. Hij verplicht je een overzicht bij te houden van die instrumenten én van de aan te houden kalibratiefrequentie met de wijze van kalibratie erbij, de kalibratiestatus zichtbaar op het instrument te zetten, en eerder te kalibreren als het door een voorval ontregeld kan zijn. Wie een jaar aanhoudt, doet dat omdat hij het zelf zo heeft vastgelegd of omdat zijn leverancier het voorschrijft. Vrijblijvend is dat niet: een auditor toetst je aan je eigen frequentie. Voor de rookgasanalyse verwijst bijlage 2 naar EN 50379 deel 2, voor CO, O2 en rookgastemperatuur.

Twee bonnen kunnen er hetzelfde uitzien en toch verschillen: op de ene staat wat er gemeten is, op de andere ook waaraan het getoetst is, op welke belasting en met welke meter. Alleen de tweede is een jaar later nog iets waard. Wie zijn keuringen in InstallGuide vastlegt, krijgt de set met de bijbehorende grens voorgeschoteld en kan een onvolledige bon niet op goedgekeurd zetten; op papier moet je die twee dingen zelf regelen.

Bronnen

  1. Meeteisen bij werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties: par. 5.2.5 (branderdruk / gas-luchtverhouding conform fabrikant), 5.2.6 (CO in de opstellingsruimte, 5 en 20 ppm, meethoogte ca. 1,7 m op ca. 1 m afstand, instrumentwaarde is leidend), 5.2.7 (CO2 in de verbrandingsluchttoevoer met gesloten mantel, buitenluchtwaarde, tot ca. 1 % toelaatbaar bij wind), 5.2.9 (rookgasmeting conform fabrikant; de CO-tabel geldt alleen als de fabrikant geen maximum noemt), 5.2.14 (bestaande gasleiding uitsluitend op werkdruk beproefd bij installeren of vervangen; in de tabel met boven-bouw-wettelijke eisen aangemerkt als (BW)), 6.2.1 (kalibratie en het eigen kalibratieoverzicht), bijlage 1 (vakbekwaamheid: controleert en beoordeelt voordruk, werkdruk, sluitdruk en verbruiksdruk), bijlage 2 (instrumenten, EN 50379 deel 2, sterkteproef met drukstoot van 5 bar en een manometer met 0,1 bar afleesbaarheid, aansluitvoorwaarden netbeheerder), bijlage 3 en 4 (inhoud opleverings- en onderhoudsrapport: toestelindeling A/B/C, gebruikte meetinstrumenten, branderdruk, CO, O2, max. rookgastemperatuur, gasverbruik vollast, warmtapwaterdebiet, instelling warmtapwatertemperatuur, gasvoordruk dynamisch)Beoordelingsrichtlijn BRL 6000-25, d.d. 10-07-2024 — https://installq.nl/files/brl/brl6000-25-bindend-verklaard-10-juli-2024-aangewezen-12-09-2024.pdf
  2. Maximale CO-concentratie in het verbrandingsgas: 50 ppm (open, afvoerloos, type A), 200 ppm (open, afvoergebonden, type B), 400 ppm (gesloten, type C), en het niet in bedrijf stellen bij 5 ppm of meer CO in de opstellingsruimteTabel bij BRL 6000-25 par. 5.2.9, ontleend aan de Omgevingsregeling; oorspronkelijke tekst in Staatscourant 2020, 50199 (wijziging Regeling Bouwbesluit 2012, certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties) — https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-50199.html
  3. Meldplicht bij meer dan 20 ppm koolmonoxide in een ruimte waar mensen kunnen zijn: bewoner of gebruiker, eigenaar, bevoegd gezag en certificerende instellingArtikel 6.46 Besluit bouwwerken leefomgeving, met de waarde van 20 ppm in artikel 5.52 Omgevingsregeling — https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/gebruiken-bouwwerk/rijksregels/gasverbrandingsinstallaties/
  4. Warm tapwater ten minste 55 graden aan het mengtoestel of tappunt in een woninginstallatie zonder circulatie; 60 graden in voorraadtoestellen, anders wekelijkse thermische desinfectieNEN 1006, geciteerd in Temperatuur tapwater en legionella, Lente-akkoord — https://www.lente-akkoord.nl/nieuws/temperatuur-tapwater-en-legionella
  5. NEN 1006 is aangewezen voor een voorziening voor warmwater: artikel 3.110 Bbl (bestaande bouw) en artikel 4.203 Bbl (nieuwbouw)Informatiepunt Leefomgeving, Installaties voor water — https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/in-stand-houden-bestaand-bouwwerk/rijksregels/installaties-water/
  6. Meting op hoog- en laaglast, laaglastgrenzen afgeleid van de gemeten hooglastwaarde, controle met geopende mantel, minimaal 3 minuten stabiliseren, en een hooglastafwijking die niet met het gasblok te corrigeren isIntergas Verwarming, Installatievoorschrift Kombi Kompakt HRE (88557803), par. 7.8, 7.9.1 en 7.9.2 met tabel 3b — https://www.intergas-verwarming.nl/app/uploads/2018/01/Installatievoorschrift-Kombi-Kompakt-HRE-88557803.pdf
  7. CO versus COref (herrekend naar 0 % zuurstof) en CO2 als berekening uit de gemeten O2 met de brandstofspecifieke CO2max-waardeEuro-Index, Misverstanden bij rookgasanalyse (Belgische uitgave: de rapportageregel geldt daar, de meettechniek is dezelfde) — https://euro-index.be/files/secured/documents/euro-index-misverstanden-bij-rookgasanalyse-vl.pdf
  8. De dichtheidsbeproeving van de bestaande gasleiding op werkdruk volgens NPR 3378, sectie gasleidingen. Het acceptatiecriterium zelf staat in die NPR — een betaalde NEN-publicatie die wij niet hebben ingezien en hier dus niet weergeven. Voor bestaande bouw bestaat daarnaast NEN 8078; NEN meldde bij de uitgave 8078:2023 een grenswaarde voor het lekverlies van 5 dm3/h, maar die norm is inmiddels ingetrokken en de BRL verwijst niet naar NEN 8078 maar naar NPR 3378BRL 6000-25 par. 5.2.14 (zie de eerste bron); NEN, Veiligheidsnorm voor bestaande gasinstallaties met een werkdruk tot en met 500 mbar geactualiseerd, 04-09-2023 — https://www.nen.nl/nieuws/gasinstallaties/veiligheidsnorm-voor-bestaande-gasinstallaties-met-een-werkdruk-tot-en-met-500-mbar-geactualiseerd/

In InstallGuide staat dit niet in een handleiding maar in een scherm: de app houdt de registers en de klokken uit dit artikel zelf bij. Bekijk het in een demo.

Verder lezen

Alle artikelen in de kennisbank